Webnieuws Wichelen

Saturday, 7 Dec 2019

Update00:00

You are here: In the spotlight Interview: Robert Ruys
01
Jun
2006

Interview: Robert Ruys

Vandaag zijn we te gast bij Robert Ruys. We bellen aan. Robert komt ons tegemoet en leidt ons naar achter. Gezeten aan tafel, omringd door werken van zijn zoon en tal van boeken, beginnen we ons gesprek.

Robert, voor de enkelingen die u nog niet kennen, stel uzelf eens even voor.

Read more...Ik ga mezelf voorstellen aan de hand van mijn bezigheden. Ten eerste, heemkunde en lokale geschiedenis is een passie waarmee ik al bijna vijftig jaar rondloop. Dat is mijn hobby en neemt het meeste van mijn vrije tijd in beslag. Ik ben eveneens nog verantwoordelijk voor het vrij onderwijs in Groot-Wichelen. Ik zit in het bestuur van het VCM, het Vlaams Centrum voor Monumentenzorg alsook in het Vlaams Centrum voor Volkscultuur in Brussel. Dit brengt heel wat vergaderingen met zich mee.  Ik zeg dit niet uit chauvinisme maar ik ben al meermaals gevraagd geweest om in een commissie te zetelen omwille van mijn deskundigheid. Maar gelukkig ben ik nu beroepshalve met pensioen. Ik ben veertig jaar op de rechtbank geweest, meer bepaald op het parket. Hiervan ben ik tien jaar hoofdsecretaris geweest, te Dendermonde, het vierde grootste parket van het land. Dat was toch wel de moeite.

Nu bent u in pensioen maar wat was voor u een hoogtepunt in uw carrière ?

Ik heb mijn carrière altijd gezien als een verbeterde hobby. Ik ben meer dan veertig jaar naar het parket in Dendermonde gegaan. Ik ben geen twee dagen tegen mijn zin gegaan. Dus uiteindelijk, wat is een hoogtepunt ? Dat is voor mij een streefdoel, als je die ambitie hebt tenminste, een eindbestemming voor mijn carrière. Het hoogtepunt voor mij was de dag dat ik benoemd ben tot hoofdsecretaris. Uiteindelijk, hoger kon niet meer en dat was het orgelpunt.

U bekleedde een belangrijke positie. Daarin werd u ongetwijfeld geconfronteerd met stress. Kon u daar goed mee om ?

Read more...Wanneer je de ambitie hebt om een leidende functie aan te nemen, is één van de voorwaarden uiteraard stressbestendig zijn. Ik ben tien jaar korpschef geweest van meer dan 125 mensen, van allerlei pluimage. Laat het mij zo stellen: als je een leidende functie hebt, dan ben je gedeeltelijk biechtvader, gedeeltelijk psychiater, gedeeltelijk manager, je moet een luisterend oor hebben én uiteindelijk moet je dan nog gezag hebben ook. Je moet dus kunnen organiseren. Dat is zeer belangrijk en als je dan niet stressbestendig bent, dan krijg je al in een vroeg stadium problemen. Want iedereen die bij mij terechtkwam, voor mij waren dat ondergeschikten – waarmee ik geen slechte bedoeling had – was er van overtuigd dat hij gelijk had. Het was mijn taak om een gulden middenweg te zoeken en dat was niet altijd even makkelijk.

U hebt ook enkele boeken geschreven. Wat trekt u daar in aan ?

De lokale geschiedenis ! Er is niets boeiender, en neem dat van mij aan, dan de lokale geschiedenis te bestuderen. Dat kan misschien een beetje euforisch klinken maar het is de realiteit. Vooral omdat lokale geschiedenis iets is dat nooit eindigt. Je begint met een bepaald feit en combineert dit met archiefonderzoek, waardoor je een massa informatie verkrijgt. Je bereikt nooit een eindpunt. Daarom wil ik nog een boek schrijven, het zevende, “Bijdragen voor de geschiedenis van Wichelen”. Het is gewoon onmogelijk om een boek te schrijven dat de volledige geschiedenis van een bepaalde gemeente beschrijft. Dit is onhaalbaar doordat bepaalde archieffondsen ontoegankelijk zijn, wat onvermijdelijk hiaten veroorzaakt. Zeg dus nooit, ik heb de geschiedenis van een dorp geschreven, want dat is onmogelijk. Je kan wel een bijdrage leveren tot die geschiedenis. Dit maakt het juist zo boeiend, het heeft nooit een eindpunt.

U hebt tot nu toe zes boeken geschreven. Wat vindt u het beste ?

Mijn eerste boek ging over de veerdiensten in Oost-Vlaanderen. Ik vond dit boek een uitdaging. Ik verzamelde al jaren allerlei zaken over de lokale geschiedenis. Ik bezit toch wel een zeer ruime bibliotheek. Op een bepaald moment wou ik iets publiceren. Ik schreef hier en daar een artikeltje en dacht dat ik daarmee het warm water had uitgevonden. Tot op het moment dat je het ernstig neemt en je voor een ruimer thema kiest. Men had mij gezegd dat de veerdiensten met uitsterven bedreigd waren. Van daar vroeg men mij of hier niets rond kon gedaan worden. Dat zag ik wel zitten, alleen weet je met zoiets wel waaraan je begint, maar niet waarmee je eindigt. Toen ik met die studie begon, vond je op geen enkele consultatielijst in de bibliotheek het woord ‘veer’ of ‘veerdam’. Dat waren woorden die niet bestonden. Uiteindelijk is het mij dan toch gelukt. Toen het boek klaar was, voelde dit aan als de geboorte van een eerste kind. Je begint er aan, je leeft je daarin uit, je ziet het groeien... Nadien minimaliseer je deze dingen wel. Wanneer ik nu een boek schrijf, draai ik er mijn hand niet meer voor om 280 bladzijden vol te schrijven. In mijn eerste boek waren er dat maar 100. Nu lig ik daar niet meer wakker van. Je weet wat kan en niet kan, wat de mogelijkheden zijn. Het eerste boek is wel iets anders. Je weet niet of het zal lukken, hoe men zal reageren, hoe het gaat overkomen ? Het meest merkwaardige aan mijn eerste boek was dat het bekroond is geweest. Het Alfons De Cockfonds schonk me voor dit boek een provinciale prijs.

Hoe is uw liefde voor heemkunde gegroeid ?

Read more...Ik was veertien jaar en ik had 300 boeken. Ik bewaarde dingen die iemand anders weggooide. Op zichzelf is dit vaak waardeloos. Zo heb ik ongeveer 1800 verkiezingspamfletten. Dat betekent op zich niets, maar als je dit in zijn totaliteit ziet en je wil iets doen over lokale geschiedschrijving inzake politiek, dan is dit hét bronmateriaal. Onlangs vroeg iemand mij die hierin een licentiaat had aangenomen, hoe hij dat moest doen. Ik heb hem geantwoord dat hij eerst de pamfletten moest bekijken van diegenen die het bewind voerden. Je somt op wat ze allemaal gedaan hebben. En dan neem je de pamfletten van de oppositie. Wat hebben ze niet gedaan. Deze gegevens mix je waardoor je ongeveer de realiteit bekomt. Nog een voorbeeld is het opstellen van je familiestam. Iedereen is benieuwd naar zijn afkomst en iedereen denkt dat hij van adel is. Daar zit de grootste fout. Als je aan een stamboom begint, moet deze bladeren hebben. Niet zo van ik en mijn moeder en mijn vader en die hun ouders. Nee, dat is te simplistisch. Je moet je stamboom stofferen met bladeren. Je moet de bezitsgeschiedenis trachten te achterhalen. De leefcultuur. In welke periode leefden die mensen ? Hoe was de sociale structuur? Die zaken zorgen ervoor dat je automatisch terechtkomt op het terrein van de lokale geschiedenis.

Als trouwe gepensioneerde vermoed ik dat u tijd tekort hebt ?

Ik weet het, het is een cliché, maar toch is het zo. Het is mijn eigen fout. Vroeger, wanneer ik in actieve dienst was, had ik een agenda die mee bepaald werd door externen. Wanneer je in pensioen bent, bepaal je zelf je agenda. Voor negen uur moet er mij niemand bellen want dan lees ik uitgebreid de krant. ’s Avonds vermijd ik zoveel mogelijk afspraken. Waardoor je zelf de dag inkort. Je hebt veel meer tijd dan vroeger maar je brengt veel minder tijd actief door. Dat maakt het verschil.


Onze bekende laatste vraag. Naar wie verwijst u ons door voor één van de volgende interviews ?

Ik denk dat er veel interessante mensen zijn in Groot-Wichelen die iets te vertellen hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan Gust De Maesschalk. Hij is zeer lang actief geweest in politieke en sociale kringen.

woord: kelly | beeld: nik